Marja Bontekoe
Zwarte komedie: Buuv
Boek, moet nog tot scenario worden verwerkt. Zwarte komedie over twee ongetrouwde (buur)vrouwen. Eén reageert bijzonder slecht op regels, de ander stelt graag éénzijdige regels op. Een strijd die van openlijk naar psychologisch gaat laait op en eindigt in de onbedoelde dood van \"Buuv\".
Hoofdstuk 1
En toen was buurvrouw dood.
Ik zag de contouren van haar gestalte zitten door het landbouwplastic dat sinds enige tijd de functie van de muur tussen onzer beide woningen had overgenomen. Dit bij gebrek aan een aannemer met tijd en een flexibel standpunt van Buuv en mijzelf om tot een minnelijke oplossing voor wat betreft de reparatiekosten te komen. Hangen was een beter woord, Buuv zat niet langer, de rigor mortis had plaats gemaakt voor de putrefactie, als ik wikipedia tenminste mocht geloven. In de praktijk betekende dit dat Buuv met dank aan ducktape nu in haar stoel hing en liederlijk stonk terwijl ongedierte als in een danse macabre om haar heen cirkelde.
Het was geen feest geweest, het landbouwplastic. Waar ik mij eerder van Buuv had kunnen distingeren door mij simpelweg op te sluiten in huis was ik de laatste week noodgedwongen geweest bijna met haar samen te wonen. Terugtrekken in een andere kamer was geen optie, Buuv liet zich fysiek niet tegenhouden door een lullig stukje plastic en bovendien had Buuv, die zichzelf zeer sociaal vond, geen enkel mentaal probleem met het ongewenst betreden van mijn woning. Mij was dit iets te sociaal, mijn huis was mijn domein.
Ik vond het heerlijk mijzelf af te sluiten en iedere communicatie met de buitenwereld te verbreken, vooral met Buuv. Buuv leefde voor communicatie, vrijwillig of niet. Ik houd alleen van vrijwillige communicatie. Buuv communiceert nu niet veel meer, hetgeen ik zeer sociaal van haar vind. Hadden wij elkaar na haar dood toch nog gevonden.
Buuv en ik hadden nooit goede buren kunnen worden laat staan vriendinnen. Onze karakters vormde geen geweldige combinatie en mijn gebrek aan lijdzaamheid deed uiteindelijk onze hellende relatie de afgrond in storten. Buuv had het niet bij minzame knikjes naar elkander kunnen laten maar eiste een “goede-buren-verhouding” op. Dat was het begin van het einde geweest.
Onze woningen stonden in een hofje met huizen van Hollandse roodgebakken stenen en onderhoudsvrije kozijnen. Voortuinen waren er niet, onze voortuinen waren onze privé parkeerplaatsen. Buuv had haar parkeerplaats aan de voorkant gemarkeerd met een smeedijzeren hek en tussen onze parkeerplaatsen een reeks vage plantenbakken lukraak geplaatst. De reden hiertoe zocht ik in de prijs per meter van smeedijzeren hekken welke schandalig is. Om ons heen strekte zich een nieuwbouw wijk uit. Een reeks van onmogelijk smalle, kronkelende straatjes met identieke woningen, teveel éénrichtingverkeer, te weinig parkeergelegenheid en kale beplanting zodat de wind het zand extra hard door de straten kon jagen. Het huis was ruim en betaalbaar geweest en meer criteria had ik op dat moment niet. Ik hoefde geen rekening te houden met opgroeiend kroost of de vraag of de snelweg bereikbaar genoeg was om manlief tijdig naar zijn werk te krijgen. Ik hoefde alleen maar rekening te houden met mijzelf en dat wilde ik voorlopig ook graag zo houden. Mijn laatste relatie was geen succes geweest, na een jarenlange nodeloze woordenstrijd had ik eindelijk de moed gehad er een punt achter te zetten. Ik wilde in retraite, wegzakken in de anonimiteit van een Hollandse nieuwbouwwijk. Buuv stond dat niet toe en nu staarde ik naar het resultaat. Ik vreesde binnenkort opgezadeld te worden met een gedwongen relatie met de psych van het Pieter Baan centrum waarbij de enige kans om mij daaraan te onttrekken zou zijn juist die lijdzaamheid op te brengen die mij zo ontbeerde.
Niet dat het nou direct mijn schuld was dat Buuv daar zo zat, maar enige medeplichtigheid dan wel necromanie kon mij toch niet helemaal ontzegd worden en bovendien, sommige elementen die tot de huidige staat van Buuv geleid hadden zouden de waarheid zodanig kunnen tartten dat deze gemakkelijk in mijn nadeel uitgelegd zouden kunnen worden. Mijn fantasie schoot althans tot op heden te kort in het zoeken naar een goede verklaring.
Het grootste probleem was dat mijn roestvrijstalen en onverwoestbare keukenmessenset met tien jaar garantie uit Buuv stak.
“U kunt er het taaiste vlees en zelfs botten mee doorsnijden”, demonstreerde de gepolijste verkoper op de televisie, die nacht dat Buuv en ik niet konden slapen, ”en als u nu beslist krijgt u van ons naast het keukenbijltje ook nog een gratis messenhouder cadeau”. Daarmee had hij vast niet Buuv bedoeld.
De rekening lag nog onbetaald en de set leek al verworden tot een corpus delicti. Ze waren inderdaad scherp. Normaal vertrouw ik geen verkopers, en al helemaal niet als ze op het vriendje van Barbie lijken, maar deze was in ieder geval eerlijk geweest. Met bot had de set geen enkel probleem en ook de roestvrije stalen handvatten neigde niet tot afbrokkelen.
Ik had in mijn leven al heel wat messensets versleten die allen even beroerd waren geweest, van gratis verkregen via ongewenste lidmaatschappen tot bingo winsten en lazarus dure sets uit weer zo een trendy kookwinkel. Uiteindelijk waren ze allemaal binnen afzienbare tijd onherstelbaar bot geworden hangend in afbrokkelende houten handvatten. Nu had ik eindelijk een goede set gevonden, hing hij geheel in takt in Buuv.
Het waren niet mijn messen geweest die tot de vroegtijdige dood van Buuv hadden geleid. In wezen was het een stupide ongeluk geweest. Alleen was het niet mijn meest geweldige idee geweest om, geleid door pure emotie, mijn messenwerperskunsten te oefenen op Buuv en zat ik nu dus met de gebakken peren. Een dode Buuv met onverklaarbare sneden en gaten en geen fatsoenlijk alibi. Fijne feestdagen verder.
Ik kon maar niet besluiten of ik de messen eigenlijk nog wel in de keuken wilde gebruiken. Nu kon deze beslissing uitgesteld worden, ik had mijn uitleg over dit geheel immers ook nog niet rond. Eigenlijk vond ik het wel een mooi plaatje, het diffuse licht dat door het plastic kwam rollen waarbij het gat in de muur een passe partout om Buuv leek. De glanzend nieuwe messenset als finishing touch. In het stedelijk hadden ze er vast een passende naam onder gehangen.
Toch was het zonde van de messen. Ik had inmiddels erg veel plezier van de set gehad. Een goed stel messen is onontbeerlijk in de hedendaagse keuken. Maar wat mij meer dwars zat was dat twee keer een messenset aanschaffen binnen een zeer korte tijd mij verdacht zou voorkomen en mijn keuken zonder messen ook. Temeer daar uit mijn creditcardafschrift klip en klaar bleek dat ik er wel één moest bezitten. En als dit mij al verdacht voorkwam dan moest de recherche hier wel helemaal vraagtekens bij zetten. Ik voelde er weinig voor om postuum met dank aan Buuv nog jarenlang in Vrouwenvleugel door te brengen terwijl een geitenwollen-sok tegen me aan zou zemelen over mijn jeugd.
Buuv riekte niet langer, Buuv stonk. Mijn woonkamer meurde als een abattoir. Het landbouwplastic hield de geur en het opkomend ongedierte maar gedeeltelijk tegen. Als ik Buuv liet liggen, zou de geur anderen naar onze huizen kunnen leiden en daar was ik mentaal nog niet aan toe. Ik wilde nog even van de aanblik van Buuv genieten en mijn alibi rond fantaseren. Na de kerst kon Buuv wat mij betreft geruimd worden, maar de kerstdagen was ze nog even van mij. Geen ‘Sound of Music’ dit jaar, maar Buuv in passe-partout, zo heerlijk stil.
De geur moest verdoezeld worden. Niet alleen verdreef het mijn kerstgevoel, maar de postbezorger had mij zojuist voor de tweede keer hardkloppingen bezorgd. De geur mocht eens door haar brievenbus naar buiten kringelen. In gedachten zag ik tijdens de postbezorging de man al belaagd worden door een stroom vliegjes die bij gebrek aan meer lijk de nog levende postbode zouden aanvallen. Nee, dit mocht geenszins gebeuren. Ik had een ruime fantasie en kon veel verklaren, maar er waren grenzen en een dergelijk voorval gecombineerd met mijn messenset en de rol ducktape kon ik niet zo uitleggen dat ik volstrekt onschuldig zou blijken. Totdat mijn alibi rond zou zijn en mijn ziel bevredigt door de aanblik van Buuv moest ik coute que coute zien te voorkomen dat Buuv ontdekt werd.
Voorzichtig trok ik het landbouwplastic omhoog om tien bussen toiletverfrisser “dennen” van een wel zeer goedkoop merk leeg te spuiten op en rondom Buuv. De bussen had ik die middag in de euroshopper aangeschaft. De geur had ik zorgvuldig uitgekozen in het licht van de kerst. Als ik dan toch iets van Buuv moest ruiken, dan graag iets passends.
De dennendamp sloeg neer en de vliegjes ook. Weemoedig staarde ik naar mijn messen. Ik besloot ter plekke dat ze toch weer terug moesten in de oorspronkelijke houder. De set weggooien zou mij alleen maar zonde zijn en mij onnodig schuldig laten lijken en de messen laten waar ze nu waren al helemaal. Het was werkelijk te gek dat mijn dure messen in Buuv staken.
Dan beter schoon en blinkend in de houder op mijn aanrecht.
Soepel gleden de messen uit Buuv. Omdat haar bloedcirculatie al enkele dagen lam was gelegd toen de messen in haar terechtkwamen en het bloed zodoende de tijd had gehad te zakken naar lagere delen viel de rotzooi gelukkig mee. Buuv had mij inmiddels wel genoeg werk bezorgd en ik voelde er bijzonder weinig voor meer van haar rijk vloeiende lichaamssappen met een dweiltje bijeen te vegen. Het was al erg genoeg geweest dat zij vlak voor haar dood niet tot een tena lady voor de zwaardere dagen had besloten.
Toen ik de messen kocht had ik kunnen kiezen tussen stalen of houten handvaten. Ik had optie 1 ingetoetst op mijn telefoon omdat ik geen zin had gehad het hele bandje af te luisteren a raison van 1 euro per minuut. Optie 1 was staal en daar was ik nu blij mee. Staal is hygiënischer, zeker als je messen in het bedorven vlees van een Buuv hebben gestaan. Misschien dat ik ze in de toekomst, als Buuv verleden tijd zou zijn, toch wel weer zou kunnen gebruiken. De messen waren echt niet goedkoop geweest en van uitstekende kwaliteit, dat was nu maar weer gebleken.
Ik wikkelde de messen in Buuv haar theedoek. Een goedkope hoteldoek van vijf voor een tientje op de markt. Ik vond het zonde om mijn eigen dure design doeken te gebruiken en Buuv deed toch niets meer met de hare. In de wetenschap dat ik haar erfgenamen belazerde met tenminste één theedoek trok ik het plastic omhoog en keerde ik terug naar mijn woning.
Ik plaatste de messen in de vaatwasser en zocht het heetste programma uit. Dat en een extra blokje met alle denkbare ingrediënten moest het werk klaren. Ieder kwartaal kwam er een ingrediënt bij in afwasblokjes. Ik wist allang niet meer waar mijn vaat mee werd schoongemaakt, wilde het zelfs niet eens meer weten, maar als ik de reclame serieus mocht nemen moest het onmogelijk zijn dat er na deze behandeling nog enig spoor van bloed of vleesresten op de messen aanwezig zou zijn. DNA zou volledig vernietigd worden dankzij de voortschrijdende inzichten van de heren schoonmaakwetenschappers. Ik overwoog een bedankbriefje te schrijven aan de fabrikant, maar zag daar bij nader inzien van af.
Buuv haar theedoek propte ik in de bestekhouder. Als roestvrijstaal ontdaan zou worden van al hetgeen mij zou criminaliseren, moest het ook voor een theedoek werken. De vormgeving en kleur zou wat aangetast kunnen worden maar ik was toch al niet van plan Buuv haar theedoek aan mijn assortiment toe te voegen. Ik haatte die goedkope marktdoeken met hun rood/blauw ruitjes. Sporen verwijderen stond voorop. Die theedoek kon na afloop in een willekeurige afvalbak zolang maar minstens enige tientallen kilometers verwijderd van mijn woning.
Direct besloot ik mij de rit naar een willekeurige afvalbak te besparen en na afloop de theedoek met gehandschoende handen in een blanco envelop naar een willekeurig adres te zenden aan de andere kant van het land. Als ik een anonieme vormloze en verwassen theedoek per post toegezonden zou krijgen zou ik hem weggooien. Dat was voor mij willekeurig genoeg en het zou mij een hoop werk en een uitleg sparen over wat ik in Surhuisterveen had gedaan op eerste kerstdag terwijl een overijverige rechercheur Buuv’s hoteldoek voor mijn neus liet bungelen.
Ik drukte op de startknop van de vaatwasser en sloot de deur. Met een glas wijn dook ik op de bank, kerstboom aan en televisie uit. Ik wilde stilte en vrede op aard.
Na ruim een halve fles wijn werd Buuv saai om naar te kijken. Ik had nog een set knipperende kerstboomlampjes liggen en ik besloot Buuv wat op te gaan leuken. Per slot van rekening was het ook voor haar kerst. De geur was nu een soort van aangenaam te noemen. Buuv rook naar kerstboom, weliswaar eentje met voetrot maar toch. En met de lampjes oogde ze nu ook naar kerstboom. Ik was tevreden met het resultaat, het plastic topte het geheel af. Ik dronk de resterende fles met een glimlach terwijl ik vanuit mijn luie stoel naar het kleurig knipperende kerststuk Buuv staarde.
In het vroege voorjaar was ik naast Buuv komen wonen. Ik was op de woning gevallen omdat er voldoende ruimte was om mijn kantoor te kunnen vestigen. Aan de voorkant bevond zich de keuken, de woonkamer grensde aan de achtertuin. De achtertuin was niet veel soeps, één grote modderbak maar hij lag in ieder geval op het Zuiden.
De vorige bewoners hadden het kennelijk goed met Buuv kunnen vinden, dat of angst was de grondslag geweest voor het ontbreken van een volledige tuinafscheiding achter.
Onze erfafscheiding aan de voorkant bestond uit een regiment zelfgetimmerde bloembakken met doorgaans dode planten. Niet echt fraai vond ik maar ik was niet van plan er iets aan te veranderen. Ik had geen groende vingers. De planten zouden onder mijn zorgzaamheid waarschijnlijk nog slapper gaan hangen.
Aangezien Buuv geen zin had om het smeedijzeren hek dat de voorkant van haar terrein markeerde steeds open en dicht te doen, stapte zij goedmoedig over haar bloembakken op mijn grondgebied en vice versa. Zij en haar volgelingen, de postbode, de krantenjongen, de gasmetermeneer, de pakketdienst, vriendje knipperlicht, vriendje één tot en met tien, enzovoort. Kortom, mijn voortuin werd gebruikt als overpad. Op zichzelf had ik hier in het begin nog niet eens zo een moeite mee, als buren moet je wat van elkaar kunnen gedogen vond ik. Toen nog wel. Bij vriendje twee was ik het echter goed zat.
De eerste ontmoeting met Buuv was al een foute. Haar nieuwsgierigheid vond ik op dat moment eigenlijk nog wel komisch en haar te amicale gekakel accepteerde ik beleefd maar gelaten. Bij nieuwe buren ben je beleefd. Een mens wil toch niet onmiddellijk zo een prille relatie verstoren. Het was vroeg in het voorjaar en Buuv plaatste potten met bloemen in bakken die onze voortuinen markeerde. Onder haar oeverloos gezwets over de bewoners van de ons omringende woningen liep ik zwetend heen weer te slepen met dozen en kleinmeubilair.
“Goh en nou”, antwoordde ik in het voorbijgaan. Beleefde kreetjes ter geruststelling dat de door haar verstrekte waardevolle informatie over onze buurtgenoten niet verloren ging. Zo kwam ik te weten dat het gezin aan de overkant veel te vaak op vakantie ging naar Buuv’s zin. Het bezit van de caravan was al een doorn in haar oog, maar dat diezelfde caravan minstens tien keer per jaar de oprit sierde om ingepakt te worden en daarmee haar uitzicht bedierf was werkelijk asociaal. Ze jengelde tien minuten door over de vraag hoe de caravan bekostigd moest zijn nu alleen hij werkte en wierp zich toen op de twee-onder-één-kap naast mij. Deze werd bewoond door uitsluitend asocialen alhoewel niet helemaal duidelijk werd waarom de arme lieden dit etiket opgeplakt kregen. Het bleef bij vage opmerkingen van Buuv over verkeerde kleding en leefgewoonten. In de twee-onder-één-kap naast haar woonde toch wel zo een leuke man. Alleenstaand. Zijn vrouw was pas overleden aan een afgrijselijke ziekte. De details hierover werden mij gelukkig bespaard. Over de man weidde ze nog een stief kwartiertje uit. Hij was aardig, en behulpzaam. Altijd klaar voor een praatje, een sigaretje, een biertje en een lach. Altijd klaar voor een klusje. Een knipoog viel mij ten deel.
Met geen woord repte ze over de wietplantjes op de vensterbank en de politie die ik daar in de korte tijd dat ik deze woning mijn eigendom mocht noemen al verschillende keren had zien aanbellen. En zo kabbelde haar monoloog lustig door. Zij van daar was een vieze slons, en de vrouw van hem daar compleet gek, zei nooit gedag en negeerde je. Zij was al maanden werkeloos en toch stond het huis nog niet eens te koop. Die van daar liet overdag vreemde mannen binnen, dat riekte naar een illegale bijverdienste maar zeg toch eerlijk, wie zou daar nou op willen klimmen? Zij te dik, zij te vies, te mager, slecht gekleed, een afschuwelijke adem en dan die neus.
Wat er nu precies zo asociaal was aan al mijn buurtgenoten bleef bij vage vaststellingen van uiterlijkheden zonder dat er enige relevante feiten werden verstrekt. Het asociaal zijn leek meer een gevoel van Buuv dan een feitelijkheid en uiteindelijk kwam ik tot de conclusie dat de asocialen allemaal een vrouw hadden en de niet-asocialen niet waarmee voor mij vast stond dat Buuv alle vrouwen asociaal vond. Ik begon terecht te vrezen.
Ik was niet vriendelijk genoeg, kreeg ik later voor mijn voeten gegooid. Buuv wilde niet beleefd koetjes en kalfjes uitwisselen, een uitsluitend goedemorgen of een zijdelingse opmerking over het weer, Buuv wilde roddelen, zieken, haar mening ventileren, intrigantje spelen, gelijk krijgen en vooral Buuv zijn. De aandacht die ik haar had geschonken was meer dan onvoldoende geweest. Zij had vragen verwacht over de buren als een kraan die opengedraaid wilde worden. Zij had bijval verwacht, samenzwering en ondersteuning in haar oeverloze queeste naar haar gelijk. Een etiket was snel geplakt: ik voelde mij te goed voor haar, beter dan zij, ik keek op haar neer en waar haalde ik de lef vandaan.
En zo werd ik dus ook een asociaal.
NL
Markt